Chili con carne (soort van), met chocola!

  •  300g gehakt
  • wokmix (paprika, bloemkool werkte prima)
  • tomatenpuree
  • tomatenblokjes (iets minder dan een blikje
  • ui
  • knoflook
  • pot bruine bonen
  • pure chocola (zo’n 60g totaal)

Geeft ongeveer 3 porties. Met (pandan)-zilvervliesrijst.

Chocola toevoegen: fijn raspen en door de saus mengen

Verbeteringen: Iets zouter (spekjes), chilipoeder en komijn toevoegen

Mag nog iets tomatiger: of 2x tomatenpuree, of blokjes vervangen door gezeefde tomaten.

(Zie ook http://www.chocolablog.nl/blog/verrassend-lekkere-chili-con-carne-met-chocolade/ )

Advertenties

Problem solving skills inversely related to focus on humans in horses

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3426792/pdf/fpsyg-03-00306.pdf

Wie is er realistisch?

In reactie op Met dank aan Max Pam

De auteur betoogt dat rechts realistischer is dan links, dat links gekenmerkt wordt door (teveel) optimisme zoals het geloof in de maakbare samenleving, en tot slot zou men links te theoretiserend bezig zijn. Ik vind dat hier wat te gemakkelijk meegegaan wordt in de standaard beeldvorming over links en rechts.

Allereerst de term ‘realistisch’. Realistisch betekent volgens mij slechts dat je de situatie goed inschat. Dat bepaalt niet automatisch het gedrag dat daarop volgt. Iemand kan bijvoorbeeld geld lenen en daarbij realistisch weten dat de kans groot is het niet terug te krijgen – en het desondanks toch doen, daarbij het risico gewoon inschattend.

De voorbeelden die worden aangehaald zijn dan ook eerder opportunistisch: men grijpt de kans waar het uitkomt. Een realistische inschatting van je kansen helpt daarbij natuurlijk, maar je hebt ook de basishouding nodig dat je verder wilt komen, wilt winnen, en dat je bereid bent integriteit daarvoor op te geven. En het een volgt niet uit het ander.

Realisme lijkt me daarbij bij uitstek gebaseerd te zijn op feiten. Toch is uit de verkiezingscampagne van de afgelopen tijd wel gebleken dat de feiten in veel opzichten niet van belang zijn. Het imago dat men rechts zuinig is en links voor sinterklaas speelt, is veel sterker gebleken dan de bewijzen van het tegendeel. Kiezers zijn niet geinteresseerd in de feiten. Ook feiten over immigratie worden gewoon genegeerd, het doet er niet toe. Realistisch is dat nadrukkelijk niet.

Verder het optimisme. Op dit moment zijn het juist de mensen ter rechter zijde die vaak erg optimistisch zijn, met name over de invloed die zijzelf hebben gehad op hun gefortuneerde omstandigheden. Ze dragen immers uit dat ze zelf door hard werken hun positie hebben bereikt, niet ziek zijn omdat ze een gezonde werkethos hebben, etc. Misschien niet in de maakbare samenleving, maar wel de maakbare mens. En indirect toch een maakbare samenleving: dat criminaliteit verdwijnt als je maar hard genoeg straft, en dat mensen met een uitkering gaan werken als je hun leven maar miserabel genoeg maakt.

Een andere vorm van optimisme wordt treffend geillustreerd door dit artikel in VN. Ambitieuze projecten met geweldige vooruitzichten, opgesteld met optimistische begrotingen en fantastische planningen. Een deel daarvan is ongetwijfeld opportunisme: men wordt er zelf beter van. Maar sommige dingen zijn gewoon op het naieve af, gestuurd door grenzeloze zelfoverschatting en vertrouwen in de goede afloop. Als het dan toch mis gaat, blijkt men echt verbaasd. En soms houdt men tegen de klippen op aan overtuigingen vast, zelfs als allang blijkt dat dat geen zin meer heeft. (Een ander voorbeeld van niet-zo-realistisch.)

Tot slot het theoretiseren. Op dit moment zijn bij ‘links’ de meeste idealen over de maakbare samenleving waarin alle mensen goed zijn en lief wel behoorlijk op de achtergrond geraakt. De inzet van de verkiezingen was veel realistischer: werk, een sociaal vangnet, dak boven je hoofd, toegang tot zorg en onderwijs. Veel meer pretentie zat er niet achter. Aan de andere kant blijft echter de theorie van de vrije markt op alle punten heilig. Niet alleen omdat het nou eenmaal is waarmee we het moeten doen op dit moment, maar omdat men er echt in gelooft. Men doet aannames over de motivatie van mensen, en baseert daarop de veronderstelling dat het gedrag van mensen te sturen is door straf, of dat mensen beter presteren met grote bonussen. Dat is veel meer theoretiseren dan links op dit moment doet – en niet altijd even realistisch overigens, want diverse theorieen zijn bewezen onjuist.

Het lijkt mij dus niet dat rechts realistischer is, ze zijn in diverse opzichten zelfs onrealistisch optimistischer, en zeker ook niet minder theoretiserend.

Individueel zorgplan

Zorgverzekeraar VGZ verplicht het gebruik van een individueel zorgplan.
‘Zelfmanagement is een van de pijlers van zorgverzekeraar VGZ voor chronische zorg. En daarbinnen is het individueel zorgplan een cruciaal element’, vertelt Ronald van Breugel, beleidscoördinator zorg bij VGZ. (Bron)

Vanaf 2013 stelt de VGZ het werken met een individueel zorgplan verplicht. Het idee klinkt aantrekkelijk: integrale zorg, meer betrokkenheid, betere communicatie. De praktijk blijkt vaak wat weerbarstiger. Hoe zinvol is het individuele zorgplan?

Mijn eerste zorg bij dergelijke initiatieven is altijd of dit soort dingen niet vooral nog meer bureaucratie, formulieren, nutteloze overleggen met zich mee brengen. Het streven is te begrijpen, maar ik ben sceptisch over de uitvoering. Uitspraken als “Het vraagt dus ook een actievere rol van de patiënt in zijn eigen gezondheid en gedrag” baren me zorgen, veel patienten bezwijken al zowat onder de last van het patient zijn. Nog actiever?

Het tweede is de verwijzing naar ‘gedragsverandering’. Is dat het doel? Zijn zieken ziek omdat ze zich verkeerd gedragen? De tendens in het artikel is in elk geval wel voornamelijk dat de patient gemotiveerd moet worden om dingen te veranderen. Dat zal soms zeker zinvol zijn, maar het ligt zo erg dicht in de buurt van ‘schuld.’  Een mening die toch al vaak gehoord wordt over ziekten en ziekzijn: had je maar…
De manier waarop het individuele zorgplan wordt gepresenteerd geeft me in dat opzicht geen prettig gevoel: het kan leiden tot extra druk en zelfs onvrijwillige controle door bijvoorbeeld de arts. Dat is tot daar aan toe bij een vrijblijvend middel, maar omdat het verplicht wordt vind ik dat wel problematisch.

Ik heb ook een aantal voorbeelden die zorgplannen (de niet-ict-vormen) bekeken. Daarbij valt me allereerst op dat in de voorbeelden van de niet-ict-plannen het toch vooral lijkt te gaan om wat de patient doet, niet wat de artsen en overige zorgverleners doen. De verplichtingen en afspraken van de zorgverleners komen in de plannen niet expliciet aan de orde. Over onderlinge communicatie van de partijen (en over welke zaken ze moeten communiceren) kon ik niets terugvinden.

De patient wordt bovendien gereduceerd tot getalletjes, met heuse targets (en soms zelfs beloningen voor het halen van de targets.) Dat is toch in tegenspraak met “Bij het werken met een individueel zorgplan gaat het nadrukkelijk niet alleen om medisch zelfmanagement (medicijngebruik, leefstijl), maar ook om sociaal en emotioneel zelfmanagement.”
In de voorbeelden van de zorgplannen staat helemaal niets over emotioneel of sociaal zelfmanagement.

Is dat dan voldoende reden om het af te kraken? Nou nee, niet direct. Het kan heel nuttig zijn denk ik, en iedereen die er gebruik van wil maken, moet het vooral doen. Maar verplichting lijkt me erg voorbarig. Ook al omdat wordt toegegeven dat het werken met de plannen, zeker op korte termijn, nog wel wat haken en ogen kent. Er moet meer tijd uitgetrokken worden, en de resultaten zijn in lang niet alle gevallen positief. Ik zou de verplichting als patient dan ook niet toejuichen.

Verdient het HBO-bestuur nog een kans?

Hogeschool Inholland Delft

Hogeschool Inholland Delft (Photo credit: Inholland)

Eerder geplaatst op Sargasso

Het HBO en specifiek hogeschool InHolland staan volop negatief in de belangstelling. Dit naar aanleiding van het bekendworden dat de Inspectie vier opleidingen van InHolland bestempelt als ‘zeer zwak’ en de accreditatie in gaat trekken. Ook de andere onderzochte HBO-opleidingen op diverse hogescholen werden niet voldoende bevonden. Hierop is de discussie hernieuwd wat er met het HBO moet gebeuren. Uiteraard vindt iedereen dat de kwaliteit van het onderwijs moet worden gegarandeerd.

De problemen in het HBO komen niet uit de lucht vallen. Al in 2001 werd aan het licht gebracht dat scholen in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs op grote schaal frauderen. Zij ontvingen geld voor onderwijs dat ze niet leverden, door op kunstmatige wijze hun studentenaantallen op te waarderen. In 2005 werd het onderzoek afgesloten en werd het fraudebedrag geschat op 100 miljoen euro.

In diezelfde tijd kwamen er bovendien veel klachten over het functioneren van het onderwijs aan de hogeschool InHolland. Door het fuseren van verscheidene hogescholen en meerdere reorganisaties in de structuur was het kort gezegd nogal een chaos op de hogeschool. Zowel docenten als studenten waren gefrustreerd en vonden dat het onderwijs ernstig leed onder de situatie.

De onderwijsinspectie stelde een onderzoek in en bevestigt dat er problemen waren: “Studenten ervaren van dit alles de negatieve gevolgen: er gaan dingen mis  in de uitvoering van het onderwijs en de werkdruk bij docenten  leidt  tot verminderde aandacht voor de  student.” Als oorzaak wordt onder meer genoemd dat er teveel veranderingen in te korte tijd zijn doorgevoerd, en dat het bestuur de gevolgen hiervan niet voldoende heeft overzien. Het onderzoek is verder behoorlijk optimistisch over het vervolg. Omdat de grootschalige veranderingen (op organisatorisch, inhoudelijk en technisch gebied) zijn afgerond, kan er ingezet worden op de verdere uitvoering die wordt gevat in verbetermaatregelen. Dat was in 2006.

Hoewel deze onderzoeken volkomen los van elkaar staan, zijn ze toch allebei belangrijk. Beide tonen aan dat er flinke problemen zijn in de organisatiestructuur en het toezicht.

Flash forward naar 2010. Dat is inmiddels 5 jaar na deze conclusies. Dat is lang genoeg om beloften over beterschap ook werkelijk gestalte te geven, en nog niet zo lang dat de herinnering aan de ophef in de vergetelheid moet zijn geraakt.

Maar in 2010 kwamen opnieuw zorgwekkende berichten naar buiten.

InHolland zou langstudeerders te eenvoudig een diploma verstrekken.

Los hiervan werd ook een onderzoek gestart naar mogelijke onregelmatigheden rondom declaraties van het bestuur. Na deze veelbewogen periode stapte eerst bestuursvoorzitter Geert Dales op, en zou daarvoor een ontslagvergoeding van 177.000 euro ontvangen, waarna de andere twee leden van het bestuur ook hun functie opgaven.

Inmiddels hebben we daarnaast ook de resultaten van de Inspectie over de kwaliteit van de opleidingen voor nominale studenten, die ver onder de maat is. De mooie woorden over orde en kwaliteit van 2005 zijn in de verste verte niet waargemaakt. En de oorzaak lijkt onomstotelijk duidelijk: falend bestuur. Op geen enkele manier spreekt hier de intentie van de hoogste bestuursorganen om op een adequate manier werkelijk goed onderwijs te verzorgen.

Hoe deze situatie moet worden opgelost is nog niet duidelijk, en dus worden er nu al enkele ideeën gelanceerd. Opmerkelijk is hierbij dat diverse partijen nog ten volle bereid zijn de instellingen opnieuw een kans te geven, zelfs al blijkt uit de nieuwe feiten duidelijk dat de bestuurlijke chaos en het falen van het toezicht nog steeds aan de orde zijn. Kamerlid Sander de Rouwe (CDA) vindt dat de instellingen aan zet zijn om de kwaliteit van de opleidingen te verbeteren. Volgens hem kan de overheid als dit niet lukt alsnog met maatregelen komen. Boris van der Ham (D66) erkent dat er teveel geld naar management gaat, maar ziet geen probleem in grote instellingen, volgens hem kunnen deze de bureaucratie juist beperken.

Maar wanneer zouden we het resultaat daarvan gaan zien? Als we nu niet constateren dat het HBO gefaald heeft de eigen sector kwalitatief gezond te houden, wanneer dan wel?